Wat als we de Afrikaanse kunst weer de plaats zouden geven die haar toekomt? Van 4 september tot 1 november 2026 brengt de groepstentoonstelling “Africa Legacy: bakermat van de kunst” in de Espace Vanderborght in Brussel een eerbetoon aan de grote klassieke en moderne kunstenaars. De tentoonstelling belicht de esthetische kracht van het continent door de eeuwen heen, waarbij aandacht aan verschillende invloeden en verbanden wordt geschonken. Van de oude Nok-cultuur tot de hedendaagse kunst, via de eerste Congolese schilders uit de jaren 1920 en de volkskunst uit de jaren 1950-1980, wordt in dit uitgebreide overzicht een duizendjarig verhaal in een doorlopende interpretatie van de Afrikaanse kunstgeschiedenis verteld. “Dit is een primeur, want Afrikaanse kunstwerken worden vaak beschouwd als magisch-religieuze, folkloristische of rituele voorwerpen,” legt Didier Claes uit, kunsthandelaar en expert in klassieke kunst uit Sub-Sahara-Afrika, gevestigd in Elsene. Hij is curator van deze gezamenlijke tentoonstelling. “Maar in de algemene kennis worden de kunstenaars die deze werken hebben gemaakt niet genoemd, omdat de traditionele Afrikaanse kunst zich kenmerkte door de afwezigheid van ego en handtekeningen en de kunstenaars dus anoniem zijn — hoewel we er soms toch enkele aantreffen. Mijn doel was om de kunstenaars weer centraal te stellen en af te stappen van die koloniale of louter etnografische blik.”

Didier Claes
Dit unieke project is ontstaan uit een gezamenlijke politieke en culturele ambitie: die van de stad Brussel en het Congolees Cultureel Centrum, een plek die openstaat voor alle Afrikaanse culturen en gevestigd is in de iconische voormalige sluis van de Zenne. “Het idee voor deze tentoonstelling ontstond tijdens mijn ontmoeting met burgemeester Philippe Close, die Brussel wil profileren als een belangrijk centrum voor Afrikaanse kunst in België,” vertelt Didier Claes. “Ik kreeg carte blanche om een eerbetoon te brengen aan alle Afrikaanse kunstenaars, bekend of anoniem, ongeacht hun tijdperk of afkomst.” Het geheel is een verbindend project, waarvoor zo’n 160 historische voorwerpen en een honderdtal hedendaagse schilderijen zijn uitgeleend door een dertigtal particuliere verzamelaars en instellingen, waaronder het museum van Tervuren en het museum van Namen.
In de tentoonstelling worden grote eigentijdse namen zoals Malik Sidibé, Chéri Samba, Aboudia, Joana Choumali, Romual Hazoumé, en Omar Victor Diop naast oudere werken geplaatst. Een van de belangrijkste uitdagingen daarbij is het identificeren van de makers van deze traditionele kunst. Voor de curator betekent dit grondig onderzoek en identificatiewerk. Hij kiest daarbij voor een voorzichtige en rigoureuze aanpak: als de naam van de kunstenaar onbekend is, wordt het werk toegeschreven aan de regio waar het vandaan komt. “Bijvoorbeeld: een voorwerp uit een regio in Congo waar de Hemba-bevolking woont, noemen we dan ‘Hemba-kunstenaar’. Als een object uit Sakassou in Ivoorkust komt, spreken we van de ‘Meester van Sakassou’. Deze aanpak voorkomt elke vorm van verzinsel en plaatst het object in een specifieke culturele context. Het herinnert er ook aan dat een werk nooit louter een artefact is, maar het product van een hand, een omgeving en een geschiedenis.”
De Afrikaans genie in de universele kunstgeschiedenis wordt verder op prachtige wijze weergegeven in een rijk geïllustreerde catalogus die ter gelegenheid van de tentoonstelling zal verschijnen. “De confrontatie met deze eeuwenoude creaties doet ons nadenken over onze eigen relatie tot creativiteit,” aldus de curator. “Deze tentoonstelling is beslist niet pretentieus, maar des te ambitieuzer!”
